Homeland -Turkey – Silopi Region* Herbul – Franse terugblik


Herbul – een Franse terugblik

De Franse wiskundige Bruno Poizat bezocht in het verre zuidoosten van Turkije de laatste christelijke dorpen waar nog Sureth, een vorm van Aramees, werd gesproken. Hij zag een kleine gemeenschap die op het punt stond te verdwijnen. In 1986 sprak hij erover tijdens een bijeenkomst van de Assyrian Academic Society in Chicago. Wat volgt zijn fragmenten uit die lezing. Het is een laatste terugblik op Herbul. En een vooruitblik op het leven van de migranten uit Herbul in de deprimerende periferie van Parijs. (ATH)

Tussen kerk en koolmijn

Herbul ligt in een halve cirkel op een berghelling die zich zuidwaarts opent in de richting van de nabijgelegen Iraakse grens. ’s Nachts zijn de lichten van de Iraakse grensstad Zakho duidelijk te zien op de dakterrassen van de huizen van Herbul. Het is een zeer mooi dorp met een uitgebreid stratenpatroon. De huizen zijn gebouwd met op elkaar gestapelde natuurstenen. De platte daken, die rusten op balken van populierstammen, dienen als slaapplaats tijdens de hete zomermaanden. De huizen staan heel dicht bij elkaar en het is vaak makkelijker over de daken van huis tot huis te lopen dan de nauwe straten beneden tussen de huizen te volgen


Herbul – de oude Bne Shmunikerk (R Benninghaus)
De hoofdkerk van Herbul is nog niet lang geleden afgebroken en vervangen door een kubusvormig betonnen bouwsel. Een andere kleine kerk, gewijd aan Bne Shmuni, heeft die drang naar modernisering overleefd en is intact gebleven. Dat Mart Shmuni kerkje in natuursteen ligt aan de rand van het dorp en is omringd door het kerkhof in een boomgaard waar walnotenbomen groeien. Het kerkgebouw is naar het zuiden gericht en het heeft twee poorten die uitgeven op een binnenhof. De noordelijke poort is bestemd voor de vrouwen van het dorp en de zuidelijke dient voor de mannen. Behalve de twee eenvoudige kruisen die in de stenen dwarsbalken van de poorten zijn gegraveerd heeft de kerk geen enkele versiering

In Herbul is een oud verhaal overgeleverd – de legende van de noten van de Mart Shmuni kerk. De okkernoten uit de boomgaard bij de kerk werden in de herfst verzameld en opgeslagen in de kerk in afwachting van de verkoop. Ooit gebeurde na de notenoogst wat volgt. Een man uit het naburige moslimdorp Esleb drong op een nacht de kerk binnen. Hij vulde een grote zak met noten en wilde de kerk verlaten. Maar hij vond de poort niet. Hij ging terug naar de hoop noten en nadat hij zijn zak had geledigd, zag hij waar de uitgang was. Hij was hardleers. Hij vulde de zak opnieuw, hij wilde vertrekken met de buit, maar hij stond weer voor een blinde muur. Dat herhaalde zich drie keer en toen gaf de man zich gewonnen, toen hij eindelijk begreep dat God en Mart Shmuni de plek beschermden. De man kwam tot inkeer en verliet zonder noten het christelijke dorp waar hij als moslim niets te zoeken had

Herbul ligt in de onmiddellijke nabijheid van een steenkoolmijn, die intensief wordt uitgebaat. Daarom is het dorp ook gemakkelijk te bereiken, vanwege de vrachtwagens die vanuit de Turkse stad Cizre in de Tigrisvlakte naar de mijn komen. De weg eindigt bij de dorpstuinen en loopt niet verder door Herbul. De steenkoolmijn en het dorp zijn in feite twee aparte werelden naast elkaar. Het valt te vrezen dat de steenkoolwinning zal leiden tot de ondergang van het dorp. Er zijn plannen om de bewoners te verplaatsen naar het westen van Turkije en men mag aannemen dat Herbul vandaag de dag al niet meer bestaat

Dagelijks dorpsleven


Herbul – shella-mannenkostuum (R Benninghaus)
De traditionele klederdracht van de dorpsbewoners lijkt op die van de Koerdische buren. De mannen dragen lange en brede broeken, een hemd met nauwsluitende mouwen en een vest. Al die kledingstukken zijn gemaakt van wollen stof, geverfd met de natuurlijke kleurstof uit walnoten. In de brede heupgordel kunnen allerlei voorwerpen worden opgeborgen: een mes, een uurwerk, een pistool, een tabaksdoos. De mannen dragen ook meestal een Koerdische hoofdsjaal. De ouderwetse mannenschoenen uit de huid van everzwijnen zijn nu ingeruild voor moderner schoeisel. De vrouwen dragen katoenen kleding – een bloes met lange mouwen en een wijde rok boven hun lange broek. Ze bedekken hun lange haren met een witte hoofddoek, ze hebben zware oorringen en een gouden piercing in de neus

De dag begint met een stevig ontbijt van brood – gebakken in de tanura, de oven uit klei, of in de doqa, een omgekeerde ijzeren pan – boter, honig, yoghurt, witte kaas. Middageten en avondeten worden opgediend op een groot dienblad. Die maaltijd bestaat uit rijst, gestoomde tarwekorrels –bulgur – of pasta met gekookt vlees en groenten. De mannen en soms ook oudere vrouwen komen het eerst aan de beurt. Daarna eten de vrouwen en de kinderen

De vrouwen zijn voortdurend bezig met huishoudelijke taken. De mannen doen het kalmer aan, ze zijn verwikkeld in eindeloze discussies, terwijl ze hun eigenhandig gerolde sigaretten roken en glazen zwarte thee drinken. De dorpelingen huwen op jonge leeftijd – jongens als ze achttien zijn geworden en meisjes als ze vijftien jaar oud zijn. Ongehuwd blijven wordt als abnormaal beschouwd. Dat geldt zelfs voor de Chaldees-katholieke dorpspriester. De ideale familie is die met het grootste aantal kinderen dat de moeder kan baren

Op de zomerweiden

De dorpelingen kweken schapen en geiten. In de late lente trekken de dorpsbewoners met hun kudden naar de hoge weidegronden waar hun dieren paren en de jongen worden geboren. Elk dorp heeft zijn eigen zomerweiden, zozan in het Koerdisch en zoma in het Sureth, op enkele uren klimmen van het dorp. Daar brengt men de zomermaanden door onder lange zwarte tenten in zeildoek uit geitenvacht. De mannen hoeden de kudden op de steile hellingen en als ze te ver van het zomerkamp zijn afgedwaald, brengen ze gehuld in hun zware vilten mantels de nacht door in de vrije natuur. De vrouwen hebben ook hier de echt belangrijke taken. Ze sprokkelen hout van de eikenbomen, ze melken de schapen en de geiten twee keer per dag en ze sleuren op hun rug grote brokken bevroren sneeuw aan die drinkwater opleveren. Ze koken het eten, bakken brood en karnen de melk in een geitenvel voor de bereiding van boter, kaas en yoghurt

In augustus, als de sneeuw op de zomerweiden smelt, gaan de dorpelingen terug naar het dorp. Ze verkopen mannelijke jongen van hun kudden in de grotere centra in de vlakte, Silopi en Cizre, en met dat geld slaan ze voorraad in voor de winter. Ze kopen thee, suiker, rijst en tarwe, die gekookt wordt tot bulgur of tot meel wordt gemalen in watermolens. Nu worden de schapen geschoren en wordt de wol geverfd. De vrouwen en de meisjes gaan aan het spinnen. Ze zitten op de daken of in de bomen met hun spinrok, dat zo hoog genoeg hangt om de woldraad uit te rekken. Het weven zelf is mannenwerk en de mannen brengen het grootste deel van de winter door voor hun primitieve horizontale weefgetouwen

Van kwaad tot erger


Herbul – dorpsleven op de daken (R Benninghaus)
Tot het eind van de jaren zestig van de vorige eeuw was de grens tussen Turkije en Irak voor de mensen van Herbul niet veel meer dan een makkelijk te overschrijden stippellijn. Ze herinneren zich nog de joodse venters uit Zakho die tot het begin van de jaren vijftig met hun waren kwamen leuren in het dorp. De bewoners van Herbul waren gericht op Irak. Voor hen was Mosoel de grote stad en ze gingen zonder geldig paspoort of andere officiële documenten de grens over om verwanten te bezoeken tot in Bagdad. Vanaf de jaren zeventig veranderde die situatie drastisch. Er werd een weg aangelegd tussen Cizre in de vlakte van de Tigris en het gebergte van Hakkari. Turkije verbeterde in snel tempo het binnenlandse transportsysteem en Istanbul was toen vlotter te bereiken dan Mosoel. De Turkse regering begon dorpsscholen te bouwen in de regio en de mensen van Herbul leerden naast hun Aramese moedertaal en Koerdisch ook de officiële landstaal, het Turks

De jaren tachtig van de vorige eeuw brachten weinig goeds. De economische situatie verslechterde toen de Koerdische afscheidingsbeweging PKK de gewapende strijd ontketende in het zuidoosten van Turkije en het Turkse leger met militair geweld zijn greep op de opstandige regio verstevigde. In Herbul kwam de emigratie op gang. Sommige migranten uit Herbul namen geen genoegen met het leven in Istanbul, ze verlieten Turkije en vestigden zich uiteindelijk in Frankrijk. Die kleine gemeenschap in de periferie van Parijs groeide gestadig aan en omstreeks het midden van de jaren tachtig emigreerden de resterende bewoners van Herbul naar Frankrijk. Ze kwamen met grote verwachtingen. Ze dachten medechristenen te vervoegen, maar ze moesten al snel vaststellen dat de Fransen geen onderscheid maakten tussen hen en andere Turkse migranten

Ver van de Lichtstad

Wat is er in Frankrijk geworden van de christelijke migranten uit Herbul? Midden jaren tachtig is de situatie niet erg rooskleurig. De meeste dorpelingen hebben onderdak gevonden in de Parijse banlieue, met name in Sarcelles. Ze leven daar in compacte groepen samen in huurkazernes in een deprimerende industriële omgeving. De jonge mannen vinden zoals andere Turkse migranten werk in banketbakkersbedrijven. De meeste mannen boven de veertig zijn werkloos, ze zijn financieel afhankelijk van hun familie en ze doen geen inspanning om voldoende Frans te leren. De vrouwen lijken zich beter aan te passen aan de nieuwe samenleving en ze leren ook sneller Frans, terwijl er toch enkel huishoudelijke jobs voor hen zijn weggelegd


Sarcelles bij Parijs – Chaldese Sint-Thomaskerk
Het is nu nog te vroeg om grote veranderingen vast te stellen in de sociale structuur van de kolonie uit Herbul in de omgeving van Parijs. Het is wel opvallend dat hun spontane gettovorming in Parijse voorsteden als Sarcelles in feite de voortzetting is van hun verloren dorpsleven in Herbul. Ze beseffen wel dat er geen hoop is op terugkeer naar Herbul en die definitieve breuk met de geboortestreek zal allicht in de nabije toekomst leiden tot ingrijpende veranderingen. De jongere generatie en de generatie die op komst is, zullen wél vlot de Franse taal aanleren en zich aanpassen aan de Franse cultuur. Allicht een goede zaak, maar niet voor de voortzetting van hun bestaan als etnische groep. De Aramees sprekende mensen van Herbul en andere christelijke dorpen uit ZO Turkije zijn in Frankrijk een kleine minderheid. Als ze hun diepgeworteld besef van de waarde van eigen taal en cultuur verliezen, zal dat onvermijdelijk leiden tot volledige assimilatie

Nederlandse bewerking van Bruno Poizat, The Sureth-Speaking Villages in Eastern Turkey – JAAS (Journal of Assyrian Academic Studies) Vol 1, 1986
http://www.shlama.be/shlama/content/view/243/209/

أضف تعليقاً

لن يتم نشر عنوان بريدك الإلكتروني. الحقول الإلزامية مشار إليها بـ *

*